Manon Houben, voorzitter van VleesNL, is trots op haar branche. “Als voorzitter van VleesNL maak ik me hard voor de mensen die zich dagelijks inzetten om een mooi stukje vlees op het bord van de consument te krijgen én voor meer waardering voor het product zelf.” Hoe kijkt ze, een jaar na haar aanstelling, aan tegen de kansen en uitdagingen die er liggen? Wat volgt is een geanimeerd gesprek met een vrouw met een uitgesproken visie.
Manon Houben is een vrouw die ongekunsteld, eerlijk en zonder opsmuk vertelt waar ze voor staat, en wat ze wil bereiken. In deze woelige wereld is dat geen gemakkelijke opgave. We beginnen dichtbij huis, bij het nieuwe kabinet en het coalitieakkoord.
“Het coalitieakkoord is niet meer dan richtinggevend. Zo heb ik het ook gelezen. Er zijn mij drie belangrijke punten opgevallen. Allereerst komt het woord ‘voedsel’ er slechts vijf keer in voor, en dan alleen in de context van innovatie en voedselzekerheid. Het wordt genoemd in dezelfde zin als waarin ‘kweekvlees’ valt. Kweekvlees is fantastisch, maar ik zie het niet als een realistisch alternatief voor vlees. Voedselveiligheid, een veel belangrijker thema, krijgt in het akkoord geen enkele aandacht. Het tweede dat mij opviel is dat de keten als geheel - van boer tot bord – niet in dat document wordt genoemd. De rol van de boer wordt op het ministerie van Landbouw gereduceerd tot stikstof en natuurherstel.”
“Ik vind dat jammer, want ik denk dat er grotere issues zijn die we moeten oplossen dan alleen stikstof. In het klimaatvraagstuk, zeker in relatie tot voeding, gaat het om het héle plaatje. De focus zou mijns inziens veel meer moeten liggen op vragen als ‘Hoe kunnen we goed en gezond voedsel produceren met een zo laag mogelijke klimaat impact?’ We moeten stoppen met boeren wegzetten als een probleem, maar ze juist de hand reiken. Ze zijn leverancier van ons voedsel, en onderdeel van de oplossing als het gaat om de problematiek voor het kabinet, zoals het biodiversiteitsvraagstuk. Kijk eens naar wat ze allemaal doen voor het beschermen van weidevogels. Als we boeren uitkopen om op de vrijgekomen grond gebouwen neer te zetten, weet ik één ding zeker: daar is de biodiversiteit niet mee geholpen. Wat mij zorgen baart, is dat er op het ministerie van Landbouw nu twee mensen zitten die én jong zijn én niet uit de Agrosector komen. Er ligt een grote taak om hen goed te informeren. We moeten ze meenemen in het complete verhaal en voorkomen dat we telkens discussie krijgen op onderdelen van de keten.”
“In de Agrifoodsector hangt álles met elkaar samen. Dat maakt onze sector wezenlijk anders dan andere businesses. Je kunt de vleessector niet benaderen vanuit een standaard businessmodel. Wij werken niet met flesjes cola of blikjes bier waarbij je, als de markt verandert, de productielijn even kunt stopzetten of opschalen. We werken met bederfelijke producten, en vooral: met levende have. De ‘productie’ van een varken begint ongeveer een jaar voor het uiteindelijke slachten; op de boerderij op het moment dat de zeug geïnsemineerd wordt. Daarna gaat de teller lopen, worden de biggen na 115 dagen geboren en groeit het dier met een voorspelbare groei per dag. Als het moment aanbreekt dat het dier slachtrijp is, kan je niet zeggen, ‘sorry, maar het komt nu even niet uit. Leg’m maar op de plank…’
Dat is het arbeidsvraagstuk. Daar is wel meer aandacht voor bij dit kabinet, maar helaas vooral in negatieve zin. Feit is dat het arbeidsvraagstuk steeds ingewikkelder wordt om in te vullen. Het wordt de komende jaren nóg lastiger om in Nederland, en zelfs in Europa, mensen te vinden die ongeschoold en laagbetaald werk willen doen. Robotisering, automatisering en AI bieden potentiële oplossingen, maar zijn ook een grote uitdaging. Voorlopig blijven er mensen aan de lijn nodig.”
Manon vertelt dat arbeid daarom het hoofdthema is van de ledenvergadering in april, en dat er eind vorig jaar een actieplan is aangeboden aan de minister met concreet te nemen stappen. “Onze focus ligt op het bevorderen van gezond, veilig en eerlijk werk in de vleessector. In het plan hebben we verwerkt hoe de samenleving naar onze sector kijkt, wat de verwachte demografische ontwikkelingen zijn en welke acties we daarop inrichten. Tijdens de ledenvergadering geven we een tussenstand van ons actieprogramma: wat is al wel en wat nog niet gelukt? Waar staan we nu? Wat zijn de doelen voor de komende tijd? Vaststaat dat we méér mensen in duurzame arbeidsrelaties moeten aannemen, met extra aandacht voor een veilige werkomgeving. Daarnaast moeten we actief aan de slag met automatisering en robotisering om daarmee onze toekomstige vraag naar arbeid te kunnen verlagen.”
“In onze branche is het allemaal maatwerk. Dieren zijn niet te vergelijken met uniforme blikjes en flesjes, ze zijn allemaal anders. Gevonden oplossingen zijn mede daardoor zelden één-op-één te vertalen zijn naar andere bedrijven. In het slachtproces bij varkens is de bandsnelheid bijvoorbeeld veel sneller dan mogelijk is bij kalveren en zeker bij runderen, omdat varkens - ondanks de onderlinge verschillen - uniformer zijn qua omvang. De varkenssector is daardoor verder gerobotiseerd dan de kalver- en rundersector. In de runderslachterijen is het zelfs nog lastiger; daar komen vooral dubbeldoelkoeien afkomstig uit de melksector binnen, maar ook af en toe een vleesstier of zoogkoe; de verschillen tussen de individuele dieren kunnen groot zijn. Op het gebied van voedselveiligheid spelen er andere issues. Het karkas van een varken is de broeibak in geweest en door branders gegaan; het is aan de buitenkant schoon. Dat geldt niet voor koeien; die hebben een vacht die er eerst afgestroopt moet worden. Zo kent iedere branche andere uitdagingen en oplossingen. Overeenkomsten zijn er natuurlijk ook: de uitdagingen rondom dierziektes zijn vergelijkbaar, evenals de exportsystemen. Het gaat altijd om ketensystemen; om het hele proces, van boer tot bord. En we hebben het natuurlijk over dierlijke eiwitten.”
“Tja, wat zal ik zeggen…” begint ze, waarna ze een stilte laat vallen. Ze denkt goed na voor ze haar antwoord formuleert. “Het advies van de Gezondheidsraad is gewijzigd van 300 gram naar 200 gram. Als je goed leest gaat het daarbij om 200 gram bereid product; dat is ongeveer 250 gram rauw product. Dat wordt niet duidelijk vermeld in de samenvatting en dat stoort mij. Maar wat mij vooral ergert, is dat dit aangepaste advies is bijgesteld op basis van onderzoek naar de vermeende klimáátimpact. De Gezondheidsraad vermengt haar advies dus met klimaatadviezen. Dit terwijl het eten van vlees ook gezondheidswinst oplevert; daar bestaat ook wetenschappelijk bewijs voor. Hoeveel je nodig hebt, is natuurlijk individueel verschillend. Sporters en mensen die in een herstelperiode na een ziekte zitten, hebben wat meer nodig. Anderen kunnen best minderen. Feit is dat 95% van de Nederlanders graag en geregeld een stukje vlees eet. Voor mij hoeft dat écht niet elke dag. Belangrijker vind ik dat consumenten ervoor zorgen dat wát ze eten, kwalitatief goed is. En dat het op de juiste manier is bereid, zodat je er ook écht van kan genieten.”
“Binnen de eiwittransitie vind ik de hybride producten die een aantal van onze leden aan het maken zijn, een fantastische uitkomst. Het deels vervangen van vlees in een gehaktproduct door plantaardige eiwitten levert zeer smakelijke producten op. Dan zit de eiwittransitie in het product zélf, dat vind ik mooi. Dit is echter geen oplossing voor alle producten en producenten. De beeldvorming die is ontstaan ten aanzien van de vleessector in onze maatschappij vind ik zorgelijk, maar ik wil niet meegaan in de ‘wij-zij /voor-tegen/ goed-slecht-discussie’ die gaande is. We zijn niet doof voor wat er in de maatschappij gebeurt, daar moeten we naar blijven luisteren. Als het niet goed is, moeten we dat erkennen en op zoek gaan naar oplossingen. Maar laten we wél eerlijke discussies voeren; op basis van feiten en niet op grond van meningen.” Het is duidelijk een punt dat haar raakt.
“Wat ik ook zo krom vind”, vervolgt ze licht geagiteerd, “is dat argument ‘dat we in Nederland alleen maar vlees produceren voor de export. Volgens mij zijn wij een handelsnatie; we leven van het feit dat we kunnen ruilen. De export van vlees geeft ons een goede onderhandelingspositie. De export van chips van ASML alleen zijn niet genoeg om die positie te behouden. We moeten ons goed realiseren dat wat we nu afbouwen, we niet zomaar weer terugkrijgen. We zijn al terrein aan het verliezen op de wereldmarkt. Straks zijn we strategisch niet meer belangrijk; dat kan een grote impact hebben.”
“Ik zou heel graag de nuance terug willen. Meer begrip voor elkaar. Heel veel mensen waarderen vlees, ze eten het geregeld en genieten ervan. Prima toch? En ja; we moeten kritisch zijn over hoe het geproduceerd wordt. Top, dat doen we. Maar het in Nederland helemaal niet meer produceren, is naar mijn mening greenwashing. Als het consumptiepatroon van de Nederlander niet verandert, zijn we de productie toch alleen maar aan het verplaatsen? Ik ben in het verleden voor mijn werk vaak in het buitenland geweest en heb gezien hoe het daaraantoe gaat. Dat is echt niet persé beter. Qua dierenwelzijn, voedselveiligheid en duurzaamheid zijn we in Nederland absoluut op de goede weg. Het is prima om aan een ander voedingspatroon te werken met elkaar, en ook goed dat de Gezondheidsraad adviezen geeft. Maar wees wél eerlijk. Baseer je op wetenschappelijke kennis en feiten, niet op meningen.”
“Deze bedrijven, veelal familiebedrijven die al jaren bestaan, worden gerund door fantastische ondernemers. Het zijn slimme mensen die met heel veel passie en effort hun bedrijven runnen. Die hoef ik het handje niet vast te houden. We hebben sterke kalverhouderijen dankzij een sterke melkveehouderij - zonder kalveren is er immers geen melk. Op de gronden waar koeien niet konden grazen, zijn varkens gezet; dát is de Nederlandse ondernemingsgeest. Dat we een sterke varkenshouderij hebben, is mede te danken aan onze goede havens. We leven in een vruchtbare delta die logistiek ideaal is ingericht. Kortom; we zitten op een fantastische plek op deze aarde. En de Nederlandse vleessector doet heel veel dingen goed. We mogen dat als branche best wat meer uitdragen. Ik ben er trots op!”
Manon Houben studeerde diergeneeskunde in Utrecht, en was aansluitend vier jaar praktiserend dierenarts. Van 2001 tot 2007 werkte ze als docent Varkensgezondheidszorg aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. In haar loopbaan was zij verder onder andere werkzaam bij Royal GD als afdelingsmanager varkensgezondheid en werkte ze bij de Van Loon Group in de functie van Programmamanager Ketenconcepten.
Sinds 1 april 2025 is ze voorzitter van VleesNL (voorheen COV-Centrale Organisatie voor de Vleessector/ Vereniging voor de Nederlandse Vleeswarenindustrie).
Bron: Vakblad Voedingsindustrie 2026