Jarenlang kwam Wyno Zwanenburg nauwelijks van zijn varkenshouderij in Odiliapeel; nu reist hij voor zijn werk de wereld over. Zijn boerenachtergrond komt goed van pas bij de complexe vraagstukken die op zijn pad komen. Hoe zorgt hij ervoor dat het nieuwe innovatiefonds uit Brussel ook bij de foodsector terecht komt? “Alles draait om timing.”
Soms is Wyno Zwanenburg (62) net een ‘oliemannetje’, zegt hij zelf. In de drie domeinen waarin hij als zelfstandige opereert – beleid, business en kennis – spreekt men namelijk niet altijd dezelfde taal. “De wetenschappelijke wereld mist vaak de commerciële inslag, en het bedrijfsleven en ambtelijk beleid zijn ook niet altijd goed op elkaar afgestemd.” Over onder andere zijn werk in dat snijvlak spreken we met Wyno bij zijn standplaats, Agri&Food Plaza in Den Bosch; de plek waar (onder andere) FoodNL kantoor houdt, de organisatie waarvoor hij geregeld in Brussel komt.
Lachend: “Een lang verhaal. Al op mijn 21e ging ik door ziekte van mijn vader aan de slag in onze varkensboerderij. Twaalf jaar later, in 1996, nam ik de varkenshouderij van de buurman over. Een jaar later kwam de varkenspest op ons pad. Ons bedrijf lag in het epicentrum van de storm, alle varkens moesten worden geruimd. Per toeval belandde ik in het crisisteam van de varkenspestbestrijding. Daarna moesten we vol gas geven, want het bedrijf had achttien maanden stilgelegen; compensatieregelingen bestonden niet. In 2001 volgde de MKZ-crisis. Weer werd ik gevraagd om mee te kijken naar de issues die speelden. Vanaf toen lag de intensieve veehouderij onder een vergrootglas en werd ik vaker gevraagd om mijn licht te laten schijnen over de sector. Onze kinderen werden groter, mijn vrouw kreeg een actievere rol in het bedrijf, dus ik had meer ruimte voor bestuurlijk werk, zoals landelijk voorman van de Nederlandse varkenshouders. Zo kwam ik al geregeld in Den Haag en Brussel aan tafel.
Toen mijn vrouw en ik beiden vijftig werden – we hadden inmiddels ook de varkenshouderij van een andere buurman overgenomen – hebben we het bedrijf ontmanteld en verkocht. Om allerlei redenen: onze kinderen volgden hun eigen weg, er was nieuwe wet- en regelgeving in aantocht en personeel werd een steeds grotere uitdaging. En ik wilde mijn werk buiten de varkenshouderij verder uitbouwen, mijn vleugels uitslaan. In 2015 ben ik gestart als zelfstandig consultant. Mijn boerenachtergrond is een grote pré: ik weet hoe ketens functioneren en hoe beleid zich vertaalt naar de praktijk.”
“Beleid gaat zowel over politieke kwesties – lobbywerk in mijn geval – als ambtelijke vraagstukken, zoals wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan. Ook adviseer ik ketenpartijen over agrifood-vraagstukken, op nationaal en internationaal niveau – de businesskant. Veel issues in Nederland spelen ook in het buitenland en daar is men razend benieuwd hoe wij die aanvliegen. Bijvoorbeeld: hoe produceer je efficiënt met weinig grondstoffen? Maar ook: reductie van antibiotica en andere milieuvraagstukken. Bij werken in het buitenland komt de funfactor om de hoek: over de grens rollen ze de rode loper uit voor Nederlanders uit onze sector. Onze kennis, expertise en oplossingen staan hoog in het vaandel. Jammer dat onze sector in eigen land niet op die manier gewaardeerd wordt. Zodra je op Schiphol landt, staat er al iemand met een vingertje te wijzen.”
“Deels door de sector zelf, die heeft fouten gemaakt – ik ook. We hebben consumenten lange tijd van ons laten vervreemden; we waren vooral bezig met ons eigen ding, op ons eigen eilandje. Dat merkte ik als ik gasten ontving op mijn varkenshouderij. Ze kwamen vaak sceptisch binnen, maar gingen na mijn rondleiding en verhaal enthousiast de deur uit. Gelukkig vindt er nu wel een inhaalslag plaats. Consumenten eisen transparantie, ze willen weten waar hun voedsel vandaan komt en hoe het wordt gemaakt.”
“Klopt, bijvoorbeeld voor de WUR, onder andere bij expert missions in het buitenland. Dan wordt de WUR gevraagd om de integratie op ketens tegen het licht te houden, onder andere in China. Vaak worden deskundigen op deelgebieden geraadpleegd. Vanwege mijn praktische kijk word ik gevraagd om mijn visie op dit soort dossiers te geven. Ik kom regelmatig in China, al merken we dat men daar langzaamaan de boot gaat afhouden. Ze hebben ons minder nodig, de varkenshouderij sector wordt daar ‘mature’. Dat is in recordtempo gebeurd; in één generatie. Al zullen ze sommige zaken nooit zo onder de knie krijgen zoals wij. Voor ontwikkelingsorganisatie PUM kom ik ook in Azië en in Afrika. Erg leuk en leerzaam, die bezoeken aan het buitenland. Bovendien combineren we die zakelijke tripjes soms met een vakantie, mijn vrouw reist dan na.”
“FoodNL is een samenwerkingsverband van vier belangrijke agrifoodregio’s in Nederland: AgriFoodCapital, FruitDelta Rivierenland, Greenport Venlo en Regio Foodvalley. Regio’s die voorheen allemaal individueel hun belang voor het voetlicht wilden brengen bij Europarlementsleden en de Europese Commissie. Dat kon effectiever en efficiënter. Dus ze hebben hun krachten gebundeld in FoodNL. Ik heb geholpen met een gezamenlijke strategie. Die focust zich nu op twee thema’s: eiwitinnovatie, en voeding en gezondheid. Bij eiwitinnovatie – voorheen ‘eiwittransitie’ – vindt een interessante ontwikkeling plaats in Brussel. De aandacht gaat steeds uit meer naar de verduurzaming van bestaande eiwitbronnen in plaats van de focus op plantaardig. Een voorbeeld: er wordt nu gezocht naar alternatieve eiwitbronnen voor soja in veevoer. Het scheelt al heel veel CO2-uitstoot als we in Europa voer van dichtbij gebruiken. Ook onderhoud ik veel contact met andere lobbyisten. We houden elkaar op de hoogte en sparren over standpunten.”
“Het huishoudboekje van de EU gaat op de schop. Landbouwbeleid krijgt straks 30% minder budget. Dat geld gaat naar een innovatiefonds en lidstaten mogen zelf bepalen hoe ze het gaan invullen. Waar ik een beetje voor vrees: dat dat budget vooral naar ‘sexy’ sectoren zoals high-tech gaat. Ik ben dus druk bezig om relevante partijen en mensen – Europarlementariërs, Haagse politici – ervan te overtuigen de agrifood sector niet uit het oog te verliezen. Want daar barst het natuurlijk óók van de innovatieve initiatieven en ideeën. Zo kan de voedselverwerking nóg efficiënter, bijvoorbeeld door technieken te ontwikkelen die nutriënten beter tot hun recht laten komen, of verspilling te voorkomen. Gelukkig krijgt landbouw veel meer aandacht dan twintig jaar geleden, het is bijna dagelijks in het nieuws. Dat helpt wel.”
“Het tempo in Brussel ligt inderdaad lager, al is het wel hollen of stilstaan. En alles draait om timing. Het is vooral zaak om de beslisbomen van de thema’s in de gaten te houden. Nu dat huishoudboekje verandert, moet ik precies weten wanneer zaken op z’n plek vallen en wanneer ik met wie koffie moet drinken. Ja, daar moet je een beetje gevoel voor hebben, maar van al die crises heb ik wel geleerd hoe krachtenvelden zich ontwikkelen en hoe zo’n dynamiek werkt.”
“Die zijn heel erg belangrijk! De vier regio’s van Food NL tellen enorm veel startups – hun belangen behartigen we natuurlijk ook. En fieldlabs bieden een plek om, zoals we hier zeggen, ‘te pielen en te klooien’. Ofwel: een beetje aanrommelen en experimenteren zonder dat er een grote verantwoordelijkheid om je nek hangt van andere schakels in de keten. Al willen die vaak wél meekijken of er markt zit in innovaties.
Overigens: waar vroeger de focus meer lag op de productie van voedsel bij AgriFoodCapital, wordt de verwerkende industrie steeds belangrijker. Bij deze dus ook een oproep: als voedselverwerkers, machinebouwers of technologieleveranciers uit één van de vier regio’s aanlopen tegen uitdagingen op het gebied van innovatie of beleid, aarzel dan niet contact op te nemen met mij of FoodNL. We hebben inmiddels zóveel kennis, expertise en connecties op allerlei niveaus. Zo zijn er verschillende voorbeelden te geven van innovatietrajecten rondom digitalisering en automatisering, zie daarvoor ook het artikel van Pascal Processing."
“Dankzij de Nederlandse innovatiedrang staat onze sector wereldwijd op de kaart – die moet dus overeind blijven. Maar: er moet wel een kritische massa zijn om innovaties te omarmen. Ik zie helaas ook te vaak duurzame initiatieven sneuvelen omdat er geen markt voor is. Zo gingen er eind vorig jaar twee projecten ter ziele uit onze regio: een indoor farmingconcept en een bedrijfje dat producten maakte van geredde sinaasappelschillen. Beide heel sympathiek, maar de businesscase kwam niet uit. Ik pleit voor factbased innovaties: begin pas iets als je weet dat consumenten bereid zijn hun portemonnee ervoor te trekken. Dat wens ik trouwens ook het nieuwe kabinet toe: probeer niet met onmogelijke wetgeving nieuwe wegen in te slaan, maar beweeg een beetje mee.”
“Helemaal niet. Ik geniet enorm van de veelzijdigheid van mijn huidige werk. En ik heb eindelijk weer vrije weekenden!”
Foto's: ©Studio 38C
Bron: Vakblad Voedingsindustrie 2026