Een tekort aan bouwlocaties en grondstoffen, wachtrijen bij het verkrijgen van elektriciteits- en wateraansluitingen, het stikstofdossier… wie in de food wil bouwen of uitbreiden, komt genoeg obstakels tegen. Het kan ook anders: Andy van den Dobbelsteen, hoogleraar Climate Design & Sustainability aan de faculteit Bouwkunde van de TU in Delft, heeft ideeën genoeg.
Andy van den Dobbelsteen staat bekend om zijn enthousiasme als het gaat om duurzaam bouwen en duurzame energiesystemen. Natuurlijk, als hoogleraar is het zijn taak om zijn wetenschappelijke en praktijkkennis over deze onderwerpen over te dragen aan de nieuwe generatie architecten. Maar daar stopt het niet. Hij wil impact maken. Zorgdragen voor onze aarde voor latere generaties. Verandering. Vanuit die passie leidde hij als duurzaamheidscoördinator van de TU Delft de transitie van de universiteit - en al haar gebouwen en activiteiten - naar CO2-neutraliteit, klimaatadaptiviteit, circulariteit, biodiversiteit en leefbaarheid. Stilzitten is er dus niet bij. ‘Als je wil dat er wat verandert, moet je wat dóen’; dat is de rode draad in zijn verhaal.
“In circulair bouwen kunnen we hele grote stappen maken”, stelt hij. “Biobased bouwen met zo min mogelijk kunstmatige materialen, is nog steeds bezig aan een opmars. De grote uitdaging is: hoe gaan we meer natuurinclusief bouwen?” Die vraag moeten we breed benaderen, vindt Andy: “Het gaat zowel om het inzetten van nestkastjes als het plaatsen van groene daken, zowel om duurzamer materiaalgebruik als biomimetisch ontwerpen.”
“Biomimetisch ontwerpen, of biomimicry, is de techniek die biologische principes en structuren uit de natuur nabootst om menselijke problemen op te lossen en innovatieve, duurzame toepassingen te ontwikkelen. In ons geval: hoe kun je principes uit de natuur technisch vertalen naar gebruik in gebouwen? Zoals een gebouwschil die als een huid koelt als de zon schijnt door verdamping, maar zich afsluit als het koud is.”
“Er zijn legio voorbeelden van plantaardige gewassen die als vezelmateriaal zijn toe te passen. We verbouwden deze materialen in Nederland eeuwenlang, maar met de komst van beton en staal - en de goedkope beschikbaarheid daarvan – zijn we ze vergeten. Die gewassen zijn we aan het herontdekken. Denk aan riet, biezen, lisdodde, bamboe, allerlei soorten grassen en snelgroeiend hout dat misschien niet geschikt is als constructiehout maar wel heel nuttig kan zijn als vezelmateriaal. Steeds meer architecten en bouwers willen daarmee aan de slag.”
“Ik denk het wel. Koel- en vriescellen zijn nu meestal stalen constructies met een goed isolerende kunststofschil eromheen. Het is logisch dat de ondernemers zoeken naar zo dun mogelijk schuimmateriaal met een zo laag mogelijke labdawaarde: hoe lager die waarde, hoe minder warmte wordt doorgelaten. Dat zal niet zo snel veranderen. Wel wordt het steeds belangrijker om die kunststoffen zo duurzaam mogelijk te maken. En de hal zelf, die hele constructie, kan naar mijn idee prima in hout in plaats van staal, net als de afwerking aan de buitenkant. Ook voor de kantoren zijn vaak duurzamere oplossingen te bedenken.”
“De angst voor hout in combinatie met brand is mijns inziens onrealistisch groot. Het materiaal wordt altijd voorbehandeld en geïmpregneerd met natuurlijke brandvertragers. De huidige materialen kennen ook nadelen. Hout vertraagt de brand door de vorming van koolstof, terwijl staal bij grote hitte plotseling kan bezwijken en inzakken. En beton lijkt wel heel veilig, maar ook hierbij merk je het bijna niet als het begint te bezwijken. Het stort in één keer in.”
“Dat hangt natuurlijk mede af van de staat van het gebouw”, lacht Andy. “Hoe oud is het? Wat kan er nog aan veranderd en verbeterd worden? Toch durf ik te beweren dat in 90% van de gevallen renoveren beter is. De prijs ‘de Gulden Feniks’ laat bijvoorbeeld elk jaar weer zien dat duurzame renovaties goed uitpakken. Zolang sloop niet wordt afgestraft en hergebruik van materiaal niet wordt beloond, blijft iedereen redeneren: ‘slopen kost relatief weinig en met nieuwbouw kunnen we precies doen wat we willen; dus dat is wat we doen.’ Ik pleit daarom voor een boete op sloop binnen 50 tot 75 jaar na bouwen: een boete die bóvenop de prijs komt van de nieuwbouw die ervoor in de plaats komt. Een soort CO2-belasting: omdat je milieukapitaal vernietigt én nieuwe materialen moet gaan maken.”
“Omdat het veel efficiënter en duurzamer is om elementen in een fabriek klaar te maken. Het is bekend dat op de bouwplaats geregeld dingen misgaan omdat elementen niet passen. Vooraf in de fabriek zijn montageproblemen nauwkeuriger op te lossen. Verder reduceert prefab de uitstoot van CO2 en andere giftige stoffen, waarmee je op de bouwplaats zelf nauwelijks verstoring hebt; alleen het transport van die elementen en de montage. In de woning- en kantorenbouw wordt prefab en demontabel bouwen nog vrij weinig toegepast, helaas.”
“Als je zomers een kathedraal of oud kasteel bezoekt, is het daarbinnen heerlijk koel. Kom je er in de winter, dan is het er juist warmer dan buiten. Dat komt door de enorme massa van steen. Van dat principe gaan we meer gebruikmaken. Nieuwe ‘Phase change materials’ (PCM’s), een soort artificiële massa, hebben namelijk hetzelfde effect als die dikke stenen muur van de kathedraal. PCM’s maken het mogelijk om met veel minder materiaal en gewicht goed te stabiliseren. Deze techniek wordt al gebruikt in de utiliteitsbouw als buffer om een constante temperatuur te realiseren; zowel voor warmte als koude.”
“Er zijn dus wel duurzamere technische oplossingen beschikbaar, maar die worden nog niet voldoende uitgevoerd. We kunnen in Nederland bijvoorbeeld ook veel meer gebruikmaken van de bodem en het oppervlaktewater voor de klimatisering van onze gebouwen. De bodemtemperatuur is in Nederland vrij constant, zo rond de 11 graden. Daarin kun je prima koude opslaan om in de zomer mee te koelen. En de warmte die bijvoorbeeld bij koelprocessen vrijkomt, kunnen we vaker ónder gebouwen opslaan voor gebruik in de winter. Ook aardwarmte zouden we naar boven kunnen halen; hoe dieper je de aarde ingaat, hoe warmer het wordt.”
“Nee”, zegt hij resoluut. “We moeten veel serieuzer gaan kijken naar waar we gaan bouwen en welke stukken land we vrijgeven aan de natuur. Een voorbeeld: de Zuidplaspolder, tussen Rotterdam, Gouda en Zoetermeer, is de diepste polder in Nederland. Het diepste punt ligt ongeveer 7 meter onder zeeniveau. Dat verschil wordt bovendien groter, want de zeespiegel stijgt. Nu liggen er toch weer plannen om die polder te gaan bebouwen! In plaats van te kiezen voor een locatie die op zichzelf gewoon veilig is, kunnen architecten op zo'n manier gaan ontwerpen dat een overstroming of zeespiegelstijging niet te veel schade kan aanrichten. Ik heb destijds met collega's een plan gemaakt voor een wijk die door de eerste 1,6 meter veilig was voor overstromingen. Het lijkt erop dat ze nu toch weer kiezen voor een vrij traditionele manier van ontwerpen. Er wordt hoogstens wat bufferruimte gecreëerd voor hevige regenval.” Het verwondert hem zichtbaar.
“Er zou toch verstandiger omgegaan kunnen worden met iets waarvan we met vrij grote zekerheid weten dat het zal gebeuren. Ik snap dat er meerdere overwegingen zijn om te kiezen voor een bepaalde locatie, maar we zijn genoeg gewaarschuwd. Ik denk écht dat als de overstromingen in 2021 in Zuid-Limburg in Den Haag hadden plaatsgevonden, er andere beslissingen waren genomen. Had het Westen onder water gestaan, dan hadden we nu een klimaatadaptief beleid gehad van heb ik jou daar. Het zou bovendien verstandig zijn om verder vooruit te kijken dan de komende vier jaar.”
“Ik zeg altijd tegen mijn studenten: ‘Houd bij het ontwerp rekening met de levensduur van een gebouw. Gemiddeld gaat dat wel 50 jaar mee. Het moet dus geschikt zijn voor het klimaat dat we hebben in 2050 tot 2080. Dat betekent dat je rekening houdt met extremere temperaturen, met neerslag die meer in hoses komt, met lange droogteperiodes en hevige stormen. Op dit moment kijken we door de bouwregelgeving echter eerder achterom dan vooruit – we baseren ons op het gemiddelde klimaat van de afgelopen dertig jaar.”
“Het heeft onder andere te maken de huidige wet- en regelgeving, met hoe we processen hebben ingericht in Nederland, en waar we de verantwoordelijkheden leggen. De overheid heeft de laatste twintig jaar enorm veel geprivatiseerd. Daarmee is zij de grip kwijtgeraakt op de essentiële infrastructuur, die nu in handen is van allerlei commerciële netwerkbeheerders. Het verhaal was indertijd dat door te commercialiseren, er competitie ontstaat en de prijs zal dalen. Iedereen weet nu wel dat dat niet het geval is.”
“Essentiële voorzieningen zoals elektriciteit, warmte, water, riolering en dergelijke, moeten weer in de handen van de overheid komen. Die moet de regie nemen. Dat is de instantie die verantwoordelijk is voor de toekomst van ons land en de burgers. Sommige gemeenten hebben al commerciële bedrijven opgekocht en zijn een gemeentelijk energiebedrijf opgestart, zodat ze deze dienst binnen de eigen gemeente weer zélf kunnen regelen. Dat moet op veel grotere schaal gebeuren. Ook moet er een centraal plan komen voor de netcongestie waar we nu tegenaan lopen.”
“Als we écht de uitstoot willen verminderen, zullen we meer plantaardig en minder dierlijke producten moeten eten; daarvan ben ik overtuigd. Mijn motto is: ‘practice what you teach and preach’. Als duurzaamheidscoördinator ben ik daarom begonnen met het opzetten van een vegetarische kantine op de TU. Dat veroorzaakte de nodige consternatie, maar heeft mensen ook wakker geschud. Echt niet alle vlees en zuivel hoeft van mij te verdwijnen, maar het is goed om meer balans te vinden tussen wat we produceren en wat wij eten. Een groot deel van de ruimte in ons land wordt nu ingenomen door de veeteelt. Als dat meer plantaardig zou worden, kunnen we ook zóveel meer materialen maken en verbouwen die geschikt zijn voor de bouw, voor meubels en andere producten. Er is echt heel veel mogelijk!”
‘We kunnen veel meer gebruikmaken van de bodem en het oppervlaktewater voor de klimatisering van onze gebouwen’
Foto’s ©Dennis Wisse
Bron: Vakblad Voedingsindustrie 2026