Gist is al eeuwen een vaste waarde in voedselproductie, maar kent ook beperkingen. Tijdens industriële processen sterven gistcellen vaak voortijdig af. Een internationaal onderzoeksproject onder leiding van Wageningen University & Research onderzoekt hoe dat proces verloopt en hoe celdood kan worden uitgesteld. Dat moet leiden tot efficiëntere productie van onder meer voedingseiwitten.
Gist speelt een centrale rol in biotechnologische toepassingen. Het rijst brood, fermenteert bier en wijn en kan, na genetische aanpassingen, ook voedingseiwitten produceren. Tijdens productieprocessen krijgen gistcellen echter te maken met stress, bijvoorbeeld door temperatuur of zoutconcentraties. Daardoor sterven cellen af en barsten ze open. Stoffen die daarbij vrijkomen, kunnen het product verontreinigen. “Wij willen eigenlijk zo lang mogelijk met elke gistcel doen,” zegt Mark Bisschops, universitair docent Bioprocess Engineering bij WUR. “Daarvoor moeten we de gist zo gek krijgen dat hij langer leeft én blijft produceren.”
Het onderzoek richt zich op de moleculaire routes die leiden tot celdood. Door te begrijpen welke genen en signalen daarbij betrokken zijn, hopen onderzoekers deze processen te kunnen blokkeren. Gisten kennen meerdere vormen van gereguleerde celdood, elk met een eigen route. Tot nu toe is daar weinig over bekend. Bestaande kennis komt vooral uit onderzoek naar bakkersgist, terwijl de industrie ook andere soorten gebruikt. Die reageren anders op omgevingsfactoren, afhankelijk van hun oorsprong.
Naast Saccharomyces cerevisiae onderzoekt het project drie industriële gistsoorten: Komagataella phaffii, Yarrowia lipolytica en Debaryomyces hansenii. Elke soort heeft specifieke eigenschappen, zoals eiwitproductie, vetopslag of zouttolerantie. Vanaf 2026 werken dertien promovendi aan het project, verdeeld over zeven Europese universiteiten. Zij onderzoeken genetische routes, procescondities en ontwikkelen modellen en meetmethoden om celdood beter te volgen. Het project wordt gefinancierd via het MSCA Doctoral Network en beschikt over een budget van circa vier miljoen euro.
Bron: Wageningen University & Research