De prijzen in de supermarkt zijn de afgelopen jaren flink gestegen. Vooral de prijzen van merkproducten gingen sterker omhoog dan huismerken. Het verschil tussen de twee is inmiddels bijna 40 procent. Supermarkten zien daarin een kans: een extra prijspunt boven het huismerk, maar onder het A-merk. Daarmee openen zich mogelijkheden voor private label-producenten en B-merkleveranciers.
Sinds begin 2022 zijn boodschappen gemiddeld 33 procent duurder geworden. Bij merkartikelen bedroeg de stijging 31 procent, terwijl huismerken met 20 procent nog iets beperkter bleven. Precies dat verschil heeft huismerken aantrekkelijker gemaakt. Onderzoeksbureau NIQ becijfert dat zij sindsdien 2,3 procentpunt marktaandeel hebben gewonnen.
Het gat is niet overal even groot. Bij vis in blik of olijfolie blijft het onder de 20 procent, terwijl in bier en energiedranken de kloof oploopt tot wel 70 procent. Voor consumenten telt vooral het bedrag aan de kassa. Hoe hoger dat uitvalt, hoe sneller psychologische grenzen worden overschreden.
Voor A-merken is die groeiende kloof een probleem. Zij hebben nauwelijks invloed op de prijs in het schap, want die ligt bij de supermarkt. Fabrikanten proberen met promoties, grotere verpakkingen, krimpflatie of nieuwe producten hun positie te verdedigen. Maar het fundamentele verschil in prijs blijft in hun nadeel werken.
Supermarkten zelf kampen ondertussen met stijgende kosten voor personeel, energie en transport. Het grotere prijsverschil biedt hen de ruimte om marges te verbeteren. Een nieuw prijspunt dus, bedoeld voor consumenten die meer willen dan een basis-huismerk, maar A-merken te duur vinden.
Voor huismerkproducenten kan dit aantrekkelijk uitpakken: premiumvarianten leveren met hogere marges en een sterkere relatie met de retailer. Waar volumes in een categorie te klein zijn, kunnen B-merken inspringen. Zo krijgen ook zij de kans om zichtbaarder te worden en mogelijk nieuwe markten te betreden.
Bron: Rabobank