Voedselverlies in de vleesketen gaat niet alleen over afval. Ook producten die veilig zijn en geschikt blijven voor consumptie kunnen waarde verliezen. Dat blijkt uit het Europese Breadcrumb-project. Daarin onderzochten vleessectorpartners waar waarde verloren gaat en welke kansen er zijn om producten en nevenstromen beter te benutten.
FEBEV, FENAVIAN en de Europese pluimveevleesvereniging AVEC werkten voor het project samen met vleesverwerkende bedrijven. Zij onderzochten hoe regelgeving, markteisen en technische beperkingen de waarde van producten binnen de vleesketen beïnvloeden.
Een belangrijke uitkomst is dat voedselverspilling niet hetzelfde is als waardeverlies. Producten kunnen veilig, voedzaam en geschikt voor menselijke consumptie blijven. Toch kunnen ze commerciële waarde verliezen doordat ze niet meer voldoen aan klantspecificaties, marketingstandaarden of kwaliteitseisen.
Een product dat niet langer binnen een premiumsegment past, kan nog steeds worden gegeten. Het wordt dan verkocht in een marktsegment met een lagere toegevoegde waarde. Volgens de onderzoekers verdient ook dat verlies van waarde aandacht.
De vleessector werkt binnen een uitgebreid regelgevend kader. Voedselveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn en kwaliteitseisen spelen in iedere schakel van de keten een rol. Die regels beschermen consumenten en dragen bij aan vertrouwen in de voedselketen.
Tegelijk kunnen deze eisen de mogelijkheden voor een andere bestemming beperken. Dat geldt voor producten die niet meer voldoen aan bepaalde commerciële verwachtingen. Upcycling en andere vormen van valorisatie moeten daarom altijd passen binnen de regels rond volksgezondheid en diergezondheid.
Het Breadcrumb-project bracht de regelgevende, technische en commerciële factoren systematisch in kaart. Ook werden momenten benoemd waarop waarde verloren kan gaan. “Hierdoor ontstaat een beter inzicht in de mechanismen die valorisatie beïnvloeden en in de mogelijkheden om deze verder te optimaliseren”, zegt Michael Gore van FEBEV.
Binnen het project werden verschillende praktijkcases uitgevoerd. Eén daarvan richtte zich op de productie van gekookte ham. Tijdens het snijden en verpakken ontstaan vleessnippers. Die zijn vaak lastig op hun hoogste waarde te benutten.
Onderzocht werd of deze nevenstroom verwerkt kan worden tot hampoeder. De casestudy laat zien dat nieuwe toepassingen kunnen bijdragen aan een betere benutting van grondstoffen. Daarbij blijven voedselveiligheid en kwaliteitseisen leidend. Ook de manier waarop consumenten tegen dergelijke toepassingen aankijken, speelt een belangrijke rol.
Bron: VILT