De Nederlandse levensmiddelenindustrie houdt zich goed staande. Ondanks stijgende kosten en geopolitieke druk weet de sector de productie op peil te houden. Het gaat niet vanzelf, maar de industrie blijft een stevige pijler onder de economie, en dat zie je terug in de cijfers.
In 2024 kwam de productiewaarde uit op €114,2 miljard. Een kleine plus, maar in deze omstandigheden toch opvallend. De toegevoegde waarde steeg naar €17,7 miljard en het aantal directe banen bleef stabiel op 162.000. Dat ondersteunt nog maar eens dat de sector de grootste industriële deelsector van Nederland blijft.
Opvallend is ook dat bedrijven blijven investeren. De R&D-uitgaven gingen omhoog naar €408 miljoen, een stijging van 10,3 procent. Het hoogste niveau sinds 2019. Terwijl de kosten omhoogschieten, kiest de sector dus toch voor innovatie, omdat het moet, maar ook omdat het simpelweg niet anders kan als je toekomstbestendig wilt blijven.
De inflatie mag dan afnemen, de kosten lopen nog steeds op. Grondstoffen, energie, arbeid: alles blijft duur. En dat zet de marges onder druk. Daardoor wordt het lastiger om te blijven investeren in thema’s die maatschappelijk juist steeds belangrijker worden, zoals gezondheid en duurzaamheid.
Toch hangt die verantwoordelijkheid wel stevig boven de markt. Voeding speelt een grote rol in gezondheid, de energietransitie en de circulaire economie. Innovatie is dus geen luxe, maar een voorwaarde om de voedselvoorziening veilig en betaalbaar te houden.
Consumenten merken het al een tijd: boodschappen zijn duurder geworden. In juni 2025 lagen de prijzen van bewerkte levensmiddelen 6 procent hoger dan begin 2024. Dat tikt aan. Tegelijkertijd blijft Nederland, vergeleken met andere eurolanden, nog steeds relatief goedkoop als het gaat om voeding en non-alcoholische dranken.
De discussie over betaalbaarheid is daarmee niet weg, verre van zelfs. Mede door belastingen, heffingen en stijgende kosten in de keten.
Bron: FNLI