Wie de klimaatimpact van eiwitbronnen vergelijkt, heeft meer nodig dan uitstootcijfers alleen. Wat neem je mee in de berekening? En vergelijk je een kilo gevangen vis met een kilo eetbaar product? Onderzoek van WUR en RIVM maakt duidelijk waarom die keuzes ertoe doen. Ook verwerking, koeling en verpakking tellen mee.
Wageningen University & Research en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu onderzochten klimaatimpact en voedingswaarde. Ze vergeleken vis en andere producten uit zee onderling en met andere voedingsmiddelen. Vooral haring, sardines, makreel en bepaalde schelpdieren komen relatief gunstig uit de vergelijking. Hun klimaatimpact is soms vergelijkbaar met die van plantaardige producten met veel eiwit.
De onderzoekers gebruikten een levenscyclusanalyse, kortweg LCA. Bij wilde vis begint de berekening bij de vaart naar de visgronden. Brandstof speelt daarbij een belangrijke rol. Ook lekkende koelmiddelen kunnen een flinke klimaatimpact hebben.
Vervolgens brengen de onderzoekers de rest van de keten in kaart. Denk aan transport, verwerking, een paneerlaag en de verpakking. Ook retail, bereiding thuis en afvalverwerking nemen ze mee.
Waar mogelijk gebruiken de onderzoekers gegevens uit de praktijk, bijvoorbeeld over brandstofverbruik. Ontbreken die, dan gebruiken ze standaardwaarden volgens bestaande richtlijnen. De uitstoot van verschillende broeikasgassen rekenen ze om naar CO₂-equivalenten. Zo kunnen ze de klimaatimpact van producten onderling vergelijken.
De klimaatimpact verschilt per vissoort en hangt samen met de vangstmethode. Pelagische soorten, zoals haring en makreel, zwemmen in grote scholen in open water. Vissers kunnen daardoor veel vis tegelijk vangen, met relatief weinig brandstof per kilo.
Bij bodemsoorten slepen vissers vaak netten over de bodem. Dat kost meer energie en draagt bij aan een hogere klimaatimpact. Volgens het onderzoek blijft die wel lager dan bij rundvlees.
Ook mosselen en oesters hebben een relatief lage klimaatimpact. Een groot deel van hun gewicht bestaat echter uit oneetbare schelpen. De onderzoekers vergelijken daarom het eetbare deel van alle producten. Zo houden ze ook rekening met botten, graten en ingewanden.
Hoofdonderzoeker Jonna Snoek benadrukt dat de berekende waarden een foutmarge hebben. Volgens haar biedt het onderzoek vooral inzicht in de rangorde tussen producten.
Bron: SeaNext