In oktober 2025 was het duidelijk: grote voedingsbedrijven zouden op 30 december 2025 moeten voldoen aan de EUDR, en kleinere partijen hoefden pas op 30 december 2026 aan de regels te voldoen. Een maand later is het weer compleet anders. Zowel het Europees Parlement als de Europese Raad kozen voor één uniforme verschuiving, waardoor grote bedrijven nu pas op 30 december 2026 aan de verplichtingen moeten voldoen.
Op 26 november 2025 stemde het Europees Parlement in met een gerichte herziening van de verordening uit 2023. Grote bedrijven en handelaren krijgen dus tot 30 december 2026 de tijd. En micro- en kleine ondernemingen krijgen tot 30 juni 2027. Die extra tijd is vooral nodig omdat het EU-informatiesysteem nog niet stabiel genoeg functioneert voor de digitale zorgvuldigheidsverklaringen.
Verder wil het Parlement dat alleen de partij die een product voor het eerst op de EU-markt brengt verantwoordelijk wordt voor de verklaring. Dat scheelt rapportages verderop in de keten. Voor micro- en kleine marktdeelnemers in de primaire productie blijft alleen een eenmalige vereenvoudigde aangifte over. Uiterlijk op 30 april 2026 moet worden beoordeeld hoe dat in de praktijk uitpakt.
Op 25 november 2025 stelde de Europese Raad zijn onderhandelingsmandaat vast. Ook de lidstaten ondersteunen een uitstel van de invoering van de wet. De eerder voorgestelde respijtperiode voor grotere bedrijven vervalt.
Downstreambedrijven hoeven geen eigen zorgvuldigheidsverklaringen meer op te stellen. Zij bewaren en delen alleen het referentienummer van de initiële verklaring. De Raad legt de nadruk op minder administratieve lasten, terwijl de oorspronkelijke doelen van de verordening behouden blijven.
Het Europees Parlement heeft gekozen voor dit uitstel ondanks dat zij half oktober nog een brief ontving vanuit de markt om de wet niet uit te stellen. Nestlé, Mars Wrigley, Ferrero, Tony’s Chocolonely en andere grote voedingsbedrijven stonden gezamenlijk achter die boodschap. Zij schreven dat uitstel “het behoud van bossen wereldwijd in gevaar brengt” en “het vertrouwen in Europa’s regelgevende verplichtingen ondermijnt.”
Volgens de ondertekenaars waren de voorbereidingen in volle gang en konden zij per 31 december 2025 aan de verplichtingen voldoen. Een technisch IT-probleem mocht volgens hen geen reden worden voor uitstel.
Bron: Europees Parlement