De Nederlandse zeevisserij boekt voor het tweede jaar op rij winst. Toch kampt de gehele keten met grote structurele uitdagingen op de lange termijn. Door een krimpende vloot neemt de aanvoer van verse Noordzeevis gestaag af. De import van vis uit aquacultuur stijgt hierdoor fors. Visverwerkers moeten flink aan de bak en investeren noodgedwongen in automatisering en robotisering.
De totale nettowinst van de Nederlandse zeevisserij kwam in 2025 uit op circa 17 miljoen euro. Dit blijkt uit het nieuwe rapport ‘Visserij In Cijfers’ van Wageningen University & Research. Binnen de kottervloot boekten de boomkor-, garnalen- en flyshootvisserij positieve resultaten. Alleen de bordentrawlers sloten het jaar af met rode cijfers. De grote zeevisserij draaide nagenoeg break-even.
Ondanks de zwarte cijfers blijft de financiële ruimte voor noodzakelijke vlootvernieuwing te beperkt. De aanvoer van verse Noordzeevis nam tot 2024 af. Een krimpende nationale vloot is de hoofdoorzaak van deze daling. De Nederlandse visverwerkende sector en de groothandel importeren daarom vanuit de gehele wereld. De importwaarde van vis steeg met 6 procent tot 5,4 mijard euro. Deze vis is steeds vaker afkomstig uit de aquacultuur.
De visverwerkingsbedrijven in ons land staan ondertussen voor flinke operationele uitdagingen. De sector heeft te maken met personeelstekorten en stijgende loonkosten. Daarnaast zorgt de beperkte beschikbaarheid van energie en drinkwater voor knelpunten. Om concurrerend te blijven, kiezen verwerkers voor technologische oplossingen. Bedrijven investeren daarom steeds vaker in automatisering en robotisering van het verwerkingsproces. Ook internationale geopolitieke spanningen en schommelingen in energiekosten blijven invloed hebben op de marges.
Onderzoeker Marc Robert legt de vinger op de zere plek: “Voor zowel de zeevisserij als de mosselkweek geldt dat beperkte financiële ruimte en onzekerheid over visserijmogelijkheden en het verdienmodel op de lange termijn investeringen in innovatie, verduurzaming, modernisering en vlootvernieuwing bemoeilijken.”
Bron: Wageningen University & Research