Een groot deel van de Nederlandse subsidies heeft negatieve gevolgen voor biodiversiteit. Dat blijkt uit onderzoek van Wageningen Social & Economic Research, CE Delft en Naturalis. De onderzoekers bekeken 102 subsidies, belastingvoordelen en andere financiële regelingen van vijf ministeries.
Voor de voedingsindustrie zijn vooral landbouw-, energie- en waterregelingen relevant. Volgens het onderzoek heeft ongeveer de helft van de onderzochte regelingen een negatieve invloed op biodiversiteit.
Regelingen voor natuurbeheer en natuurherstel krijgen meestal een positieve beoordeling. Het gaat onder meer om subsidies voor nationale parken en agrarisch natuurbeheer. Deze regelingen ondersteunen ecosystemen en leefgebieden van planten en dieren.
Bij grotere landbouwsubsidies is het beeld minder positief. De basisbetaling uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid krijgt de beoordeling ‘gemengd, overwegend negatief’. Volgens de onderzoekers ondersteunt deze regeling vooral het huidige landbouwsysteem. De stimulans voor verduurzaming blijft beperkt.
Ook enkele verduurzamingssubsidies voor de veehouderij krijgen kritiek. Bij subsidies voor mestverwerking blijft de mestproductie namelijk bestaan. Daardoor blijft ook de druk op natuur en klimaat aanwezig.
“Wat ons opvalt, is dat biodiversiteit in het subsidiebeleid vaak onderbelicht blijft,” zegt onderzoeker Monica van Alphen van Wageningen Social & Economic Research.
Het rapport kijkt ook naar regelingen buiten de landbouwsector. Zo beoordelen onderzoekers de vrijstelling van leidingwaterbelasting voor grootverbruikers negatief. Volgens hen stimuleert die regeling extra watergebruik.
Daarnaast noemt het rapport vrijstellingen en kortingen binnen de energie- en kolenbelasting. Die verlagen de kosten van fossiele brandstoffen. Daardoor neemt de druk op biodiversiteit verder toe.
Volgens Van Alphen vraagt dat om scherpere keuzes binnen subsidiebeleid. “Subsidies zijn gewoonlijk bedacht met economische of maatschappelijke doelen voor ogen. De effecten op natuur en biodiversiteit worden daarbij meestal niet meegenomen.”
Bron: Wageningen Social & Economic Research